Online teaching



To use this application you need to install and activate Adobe Flash Player


Get Adobe Flash player .













































































































WERKWOORDEN OEFENEN

Author: de Beterweter Peter
Description:
Keywords: werkwoorden, vervoegen, spelling, tijden, , , online teaching

Content:
Quiz:

1. Ik # (vinden) het geen probleem. (tegenwoordige tijd)
A) vind

2. Wij # (verwachten) er toen weinig van.
A) verwachtten

3. Hij # (rijden) nu op een gele scooter.
A) rijdt

4. We zijn meerdere malen # (waarschuwen).
A) gewaarschuwd

5. Als het kalf # (verdrinken) is, dempt men de put.
A) verdronken

6. Hij heeft zich gisteren ziek # (melden).
A) gemeld

7. Hij # (beantwoorden) de brief onmiddellijk toen hij hem had gekregen.
A) beantwoordde

8. # (vinden) je collega het goed als je morgen niet komt?
A) vindt, vindt

9. # (vinden) je dat ook zo leuk? (tegenwoordige tijd)
A) Vind, vind

10. Het # (verbazen) hem niet. (tegenwoordige tijd)
A) verbaast

11. Zij # (vertellen) elkaar veel mooie verhalen. (verleden tijd)
A) vertelden

12. Hij was er nog nooit # (zijn).
A) geweest

13. Het # (pakken) goed voor hun uit toen bleek hoe de vork in de steel zat.
A) pakte

14. Het # ( verspreiden) een penetrante geur als het deksel open gaat.
A) verspreidt

15. Op het feestje # (verwarren) hij die twee mensen met elkaar. (verleden tijd)
A) verwarde

16. Het pand wordt # (verbouwen).
A) verbouwd

17. De lamp wordt aan de muur # (monteren).
A) gemonteerd

18. Hij heeft een goed plan # (bedenken).
A) bedacht

19. Zij # (versturen) gisteren met heel de afdeling meer dan honderd e-mails.
A) verstuurden

20. Nu # (lopen) de groep mensen naar de Spinozaweg.
A) loopt

21. Hij heeft zich goed # (voorbereiden).
A) voorbereid

22. Hij # (wachten) op de bus (verleden tijd)
A) wachtte

23. Wij # ( belanden) in een drukke straat. (verleden tijd)
A) belandden

24. Hij # (weten) zich goed te gedragen. (verleden tijd)
A) wist

25. Hij # (zullen) graag komen. (verleden tijd)
A) zou

26. Hij is gisteren # (slagen).
A) geslaagd

27. Je # (betalen) je blauw aan aflossing en rente als je een grote lening aangaat.
A) betaalt

28. In de bankenwereld # (bakken) ze hem bruin. Het gevolg was een enorme crisis.
A) bakten

29. De ambtenaar # (verspreken) zich gisteren tijdens het debat.
A) versprak

30. Hij # (worden) steeds beter. (verleden tijd)
A) werd

31. Hij # (worden) niet gauw moe. (tegenwoordige tijd)
A) wordt

32. Die balk # (verbinden) beide helften. (tegenwoordige tijd)
A) verbindt

33. Hij heeft alles aan elkaar # (lassen).
A) gelast

34. Hij heeft veel # (leren).
A) geleerd

35. Het was vorig jaar # ( gebeuren).
A) gebeurd

36. Ze hadden veel # (lachen).
A) gelachen

37. Ze hebben die auto # ( repareren).
A) gerepareerd

38. Hij # (fietsen) wel 20 kilometer per dag.
A) fietst, fietste

39. Hij # (zijn) op de goede weg.
A) is, was

40. De soep wordt niet zo heet # (eten) als hij wordt opgediend.
A) gegeten

41. Ze # (mogen) zelf haar keuze bepalen.
A) mag, mocht

42. Ik # (lezen) vandaag nog zoveel mogelijk over dit onderwerp.
A) lees

43. Hij # (schrijven) een commentaar. (tegenwoordige tijd)
A) schrijft

44. De groep lassers # (werken) samen bij dit project.
A) werkt, werkte

45. De Titanic # (stranden) in 1912 in de Noordelijke IJszee.
A) strandde

46. Toen hij het begreep # (zetten) zij hun programma direct om.
A) zetten

47. De leden van de commissie # (spreken) af om de volgende keer verder te praten. (verleden tijd)
A) spraken

48. De gegevens worden # (verwerken).
A) verwerkt

49. Het # (zijn) nog nooit zo makkelijk.
A) was

50. Erasmus # (schrijven) de satire %22Lof der Zotheid%22.
A) schreef

51. De vergrijzing # (bieden) ondernemers nieuwe kansen. (tegenwoordige tijd)
A) biedt

52. Het was al zo vaak # (vertellen).
A) verteld

53. Hij is daar aan # (wennen).
A) gewend

54. Hij wordt morgen # (bevorderen).
A) bevorderd

55. Hij # (bevorderen) ze allemaal. (tegenwoordige tijd)
A) bevordert

56. We # (leggen) een eed af. (verleden tijd)
A) legden

57. De mensen uit die groep # (zijn) tevreden. (verleden tijd)
A) waren

58. De menigte # (bewegen) zich richting dorpsplein. (tegenwoordige tijd)
A) beweegt

59. Hij # (vatten) de koe bij de horens. (verleden tijd)
A) vatte

60. Het # (zitten) wel goed daar. (verleden tijd)
A) zat

61. Dat # (wennen) wel. (tegenwoordige tijd)
A) went

62. Hij # (bakken) ze bruin. (verleden tijd)
A) bakte

63. Hij # (betalen) zich blauw. (tegenwoordige tijd)
A) betaalt

64. Hij # (sparen) veel. (tegenwoordige tijd)
A) spaart

65. Hij # (springen) een gat in de lucht als hij dat morgen hoort.
A) springt

66. De wasmachine heeft alles # (wassen).
A) gewassen

67. Hij was wel # (uitnodigen).
A) uitgenodigd

68. De mannen # (metselen) gisteren in 1 uur deze hele wand.
A) metselden

69. Hij # (verhuren) licht en geluidsinstallaties. (tegenwoordige tijd)
A) verhuurt

70. Hij heeft van alles en nog wat # (verhuren).
A) verhuurd

71. Het parfum # (verspreiden) een sterke geur, toen het dopje was opengedraaid.
A) verspreidde

72. Vorige week # (printen) zij de resultaten van hun onderzoek uit.
A) printten

73. De advocaat # (pleiten) gisteren voor vrijspraak van zijn client.
A) pleitte

74. Hij # (verdedigen) zichzelf met verve. (tegenwoordige tijd)
A) verdedigt
.